Opoe Balk

Een mooi verhaal.....

In 1970:
Midden in het dorp, in een tussen perelaars, tuinkruiden en wingerd verstopt huis, sprak ik met de oudste bewoonster van Oosterleek, mevrouw Balk. Zij was toen 90.
Wat er in het kerkje gebeurde vond zij prachtig; katholiek en protestant samen, dat het zover met wereld had mogen komen. Maar de rest vond zij voornamelijk niks. Zij was de moeder van collega Jaap Balk van het Algemeen Handelsblad, die toen nog regelmatig zijn ouderlijk huis bezocht, omdat hij er verdroomde weekeinden kon doorbrengen.

Nu is het huis afgebroken en als erfstuk van onze plattelandsbouwkunst verkocht aan het Zuiderzeemuseum. Maar toen behoorden de naast elkaar tussen overdadig lommer gelegen huizen van de familie Balk tot de meest unieke bouwsels van heel de IJsselmeerkust. Sinds vele tientallen jaren was er niets, maar dan ook niets aan in-en exterieur veranderd, wat toch opmerkelijk is in een land waar elke meter grond al minstens twee keer op de schop is geweest.
Maar goed, de weduwe Balk vond dat het dorp lelijk was geworden. Ze zei: Al de boomgaarden zijn weg. De mensen lijken wel dol tegenwoordig. De "ien wil voor de aar” niet onderdoen. Allemaal moeten ze een bankstel hebben, een mooie televisie, grote ramen en vooral geen bomen. Hak maar om die bomen.' Ik vond haar een fascinerende oude vrouw, die tot op hoge leeftijd weerstand had weten te bieden aan de 'waan van de dag'. Het aanhoudende gewapper met bankbiljetten door grondspeculanten, die het huis en alle opstallen gaarne tegen een scherpe prijs wilden bemachtigen, bracht haar evenmin aan het wankelen.
Telkens als er weer zo'n patser in een Bul Super-BMW voorreed, sprak ze hem toe in plat-Westfries. 'Skeer je weg. Bloif van de wurgt. D'r wordt niks kocht. Het bloift as het is.' In haar ander huis, dat al al jaren onbewoond, maar volledig ingericht als een donker fantoom tussen het geboomte had staan pronken, werd ingebroken. Ze stalen blauwe bordjes, een haardplaat en nog veel meer.
Dat was in 1970. De meeste Oosterlekers hadden toen allang niet meer met de visvangst te maken en ook niet meer met de land- of tuinbouw. Nieuwkomers overstroomden zoals overal leder het streekje. Weinig dorpelingen werkten meer op het land. Ze liepen niet meer naar de watermolens bij Wijdenes om voor een kwartje wat haring te bemachtigen, maar met de jas aan voor het raam te wachten op de autobus die hen op vaste tijden gezwind naar de dampende zalen van de nieuwe werkverschaffers zou brengen: Duyvis, Bruynzeel, Hoogovens, de Amsterdamse haven. En de middenstand was allang dood. Alleen een VIVO-winkel hield de strijd vol. Wat nog herrinnerde aan de dagen van de 'Burgerhart' en de Marker-pofbroeken was eigenlijk alleen het kerkhofje.
Bron: Peter Gerritse, Henk Tol