Zuiderdijk

In 1923 werd de dijk tussen 't Wuiver en Schellinkhout verhoogd. Het was nog het stoomtijdperk.
Daarom trok een stoomlocomotief de kiepwagens met klei vanuit de kleiput bij de Nek, waar wij nu de meeuwenkolonie aan hebben te danken.
Op de dijk stonden rode paaltjes op een afstand van honderd meter. Op genoemde afstand konden de veehouders één of meerdere paaltjes pachten, bestemd voor de hooioogst.
Ook waren er tuinbouwers die alleen in de wintermaanden koeien op de stal hadden. Dat werden opzetters genoemd. In veel oudere huizen zonder stolp vindt men nog de koestal die vroeger voor het vee werd gebruikt en thans weggetimmerd is en waarvoor in de plaats slaapkamers kwamen. De kleine veehouders lieten vaak de dijk maaien. De grotere veehouders hadden geen behoefte aan het dijkhooi, om reden dat zij genoeg grasland hadden.

Mijn grootvader Klaas Ham heeft in de vorige eeuw vele kilometers met de zeis gemaaid en ditzelfde gold in deze eeuw voor Hans Albertsma uit Oosterleek. Hans woonde in één van de huizen onder aan de dijk met zijn gezin. Het was zwaar werk, vanwege de schuinte van de dijk en de houding waarin dus gemaaid moest worden. Hans had een speciale linkerklomp aan zijn voet, om uitglijden te voorkomen. De veehouders moesten later het hooi op de dijk sjouwen wat een heel karwei was. Maar de kleine veehouders verdwenen en er bestond geen belangstelling meer voor het hooi.

Toen de Zuiderzee nog bestond, mocht er geen vee grazen langs de binnenkant van de dijk, want die mocht niet vertrapt worden in verband met eventuele verzwakking en doorbraak bij springvloed en stormen.
Inmiddels was de afsluitdijk voltooid en hield het IJsselmeer vrijwel dezelfde waterstand. Daarom plaatste het Hoogheemraadschap hekwerk langs de dijk en mocht het vee daar grazen.
Als bij de grote veehouders het hooi in de stolp werd gebracht stond de wagen in de dars en werd de hooiberg steeds hoger. Er stond dan één man in het ontvangersgat. Die moest het hooi dat hij ontving van de man op de hooiwagen naar de derde man omhoog steken die in de nok stond. De veehouders P.K.Bakker en C.Molenaar uit Oosterleek hadden het beter bekeken. Als de hooiwagen in de dars stond was er een grijper die in het hooi werd geplaatst. Aan de grijper was een touw gebonden die langs het dak naar beneden, via een gat in de muur naar buiten kwam en verbonden was met het tuig van een paard. Daar stond een man die een seintje kreeg en dan trok het paard elke keer een hap hooi naar boven.