Vroeger

Men kan zich niet voorstellen hoe wij vroeger moesten leven zonder leidingwater.
Elk huis had vroeger een flinke regenwaterbak naast de woning. In de keuken was de waterpomp daarmee verbonden. Bij een droge zomer moesten wij dan heel zuinig met het water omgaan. De dakgoten waren niet altijd even schoon en velen hadden een filter. Halfweg de filter was een stenen plaat aangebracht met hele kleine gaatjes. Daarboven lag een laagje beenderkool en zo werden de ongerechtigheden opgevangen.
In de meeste koestallen was halfweg een waterpomp. Daar was in de grond een waterwel aangeboord, zodat het grondwater naar boven werd gepompt.
Dit bleef zo, tot de waterleiding werd aangelegd.
 
Elke dag liepen we naar school langs de sleuvengravers. Er werkten ook vier mannen uit Noord Brabant bij de aanleg van de leiding en ze woonden in het achterste gedeelte van het molenhuis en ze kookten zelf hun potje. In het voorste gedeelte woonde ik met mijn ouders en broers. Thans woont daar L. Groenhof. Als er weer een sleuf was gegraven, waren de Oosterlekers Jan Groot en Aart Schouten de buizenleggers. Aart Schouten woonde met zijn gezin in een woning die naast het huis van Meta Rijnhout en Jan Slachter stond. Deze kleine woning is later gesloopt. Jan Groot woonde met zijn gezin onder aan de dijk waar de familie Joh. Swier vele jaren heeft gewoond.

Één van de vier Brabanders was de loodgieter. Als de buizen waren gelegd, stopte hij vlas in de kraag van de buis en vervolgens brulde hij om lood, Jan Leyen uit het Zuideinde van Wijdenes, waar thans R. Krijgsman woont, was de loodsmelter. Hij moest de vuurketel warm houden om de staven lood te smelten. Na de oproep ging Jan met de lange ijzeren lepel met kokend lood naar de sleuf en reikte deze over aan de Brabander, die het vloeibare lood om de kraag goot. Nu was er in diezelfde periode Kermis en en bij café De Stofmolen van Huus Groot.

Tijdens de kermissen in onze gemeente waren er altijd 2 politiemensen die de orde moesten bewaren. Zij waren gewapend met een sabel op de heup en een gummistok. De Brabanders hadden een keer niet zo'n mooie ontmoeting gehad met een politie uit Westerblokker. Het toeval wilde dat deze politieman met onze plaatselijke politieman de orde moest bewaren op de kermis. De Brabanders begonnen de politiemannen te sarren en er ontstond zo'n vreselijke vechtpartij in het café, als er nog nooit eerder was voorgekomen. De gehele zaal begon te vechten en de politie uit Westerblokker vluchtte naar Zolder, van onze plaatselijke politie werd de sabel gebroken. Het resultaat was één grote ravage van kapotte bierglazen. Het werd later nog een rechtzaak en ik kan mij nog herinneren dat er boven het verslag in de krant stond: Het was de veldwachter die de klappen kreeg.