JAAP BALK (Journalist)
Het protest van de koster van de
Ned. herv. kerk in Oosterleek
‘Neem een matje’, zei Jaap altijd wanneer ik het Armenhuis in Oosterleek binnenkwam.
Op de ruit van de deur viel een sticker op van de Koninklijke Noord-Zuidhollandsche Reddings Maatschappij, Jaap Kuiper wist van varen. Bij een nukkige onweersbui in mei had hij op het IJsselmeer, zeilend in een klein vaartuigje zijn jongere broer Wim verloren.
Hij zelf had er amper het leven van afgebracht.
Wanneer we dan eenmaal zaten in de kleine woning kostte het geen moeite het gesprek te beginnen. Zo’n kapperspraatje over het weer... neen, dat was geen partij voor de ervaren prater die Jaap Kuiper was. Eerder kostte het moeite om met je boodschap voor de dag te komen en de conversatiestroom te onderbreken.
Want Jaap had veel te vertellen en kon veel vertellen. Over zijn ervaringen in de wegenbouw, het wisselende leven bij kostbazen en kostvrouwen, het rooien van aardappelen of de drukte op de veiling van ‘de Zuiderkogge’ te Hem, waar de gebroeders Knol opvallende figuren waren. Vooral waar het neerkwam op het verstouwen van veel vocht. Als zeventiger stond Jaap nog elke zaterdag in Hoorn in een vishandel en als je dat zo hoorde ging de vis er als warme broodjes over de toonbank - met als toegift veel smakelijke verhalen. Jaap had ook in dit, ons Leek, in de kruidenierswinkel gestaan van Ma van Bertus, vroeg weduwe na het overlijden van Piet Leeuwrik. En als jongetje vergezelde hij zijn vader als hulpje-veedrijver, heel naar de markt te Purmerend. Soms moest hij op koude herfsttochten door het water van een sloot heen om een afgedwaalde koe weer op het rechte pad te brengen. Maar nooit sprak hij over het ongeluk met de zeilkano, even bezuiden Oosterleek op het IJsselmeer. Spraakzamer was hij over de avonturen langs de dijkgracht, waar hij altijd een fuikje placht te zetten. Maar hij had daar méér pijlen op de boog. Zo zat hij er tussen het riet eens een eend te plukken - Jaap liet al vertellend in het midden de wijze waarop hij het dier had bemachtigd - toen een politieman hem in het voorbijfietsen opmerkte: ‘wat moet dat, Kuiper?’. En Jaap, doodgemoedereerd: ‘Die heeft zich net uitgekleed - hij wil een baantje zwemmen ‘. Ver terugduikend in het verleden kwam nog wel eens het gesprek op Juut. Al heel lang wijlen Juut. Een legendarische nathals uit het dorp. Die was als zovelen uit vooral Wijdenes naar Amerika gegaan. Maar hij was het land uitgezet. Wel met een stapel dollars op zak. Hij woonde een tijdlang in het oude huis van Keetbaas en verschoonde de tafel door er eenvoudig een nieuwe krant op te leggen. Daar kon je lang mee doorgaan. De burgemeester hield deze dorstige vrijgezel echter in ‘t oog en toen de politie eens kwam kijken vonden ze nog een erfstuk in het donkere oude huis: een zeer oud geweer, waar verzamelaars hun lippen voor zouden aflikken. Dat werd uiteraard in beslag genomen maar verder gebeurde er niets.
Juut had nog een keer terug gewild naar Amerika. Tijdens de reis dronk hij zich veel moed in, maar verder dan de immigratieautoriteiten op Ellis-eiland kwam hij niet. Per kerende boot kwam hij terug, het reisgeld armer. Ze hadden hem, vertelde hij bij thuiskomst, als volleerde innemer in dat drooggelegde land niet willen hebben.
Zo rijden zich daar in de kleine woning in het vooreind van het Armenhuis van Oosterleek de uren aaneen. Jaap was de laatste bewoner voorin, Nu is het huis niet langer van de gemeente. De bewoner van de achterste woning heeft het pand gekocht. Het venster waardoor Jaap naar buiten keek - des winters hing hij aan de boom voor het raam een vetbol zodat hij de meesjes kon bewonderen - is verdwenen. maar verder is er niet veel veranderd. Aan de zijkant is het brandspuithuisje afgebroken. Jaap gebruikte het voor zijn bromfiets en zijn tuinbedoening. Tot de komst van de motorspuit, die de gehele toenmalig: gemeente Wijdenes. ‘bediende’ was het houten bijgebouwtje de plaats waar de handbrandspuit van Oosterleek stond. Een werktuig. eens gebruikt door de roemruchte vrijwillige brandweer van Rotterdam. Zo rond 191 8-1919 werd het huisje ontruimd. De spuit ging naar de dars van de gebroeders Dekker, vlak bij de kerk en het huisje kreeg tijdelijke bewoonsters: de weduwe Huybers en haar dochter. Naderhand vond de weduwe een woning in Hem en kon de brandspuit terugkeren.
De achterste woning van het Armenhuis wisselde nog al eens van huurder. Vaak was er een boerenarbeider met zijn gezin. die zich voor een jaar had verhuurd maar na enige tijd al weer het dorp verliet. Ze kwamen nog al eens uit Friesland en als schoolkinderen wisten we dat in zo’n gezin werd gesproken over heit en mem. Nog horen we de heldere stem van vrouw Fokkema schallend over de buurt: ‘Jansje. bessepap eten!’ En een ogenblik later hoorde je de klompen van Jansje over het klinkerstraatje.
Maar vòòr in het Armenhuis woonden de blijvers. Zoals Jaap Kuiper, die - helaas - zijn laatste levensjaar moest doorbrengen in ‘St. Nicolaas’ te Lutjehroek.
Met hem verdween de laatste typische dorpsfiguur. Op 3 januari 1990 kwam het einde.
Iemand die er vòòr hem woonde, heel lang, was Piet Adelaar, Hij heette eigenlijk Pieter Bakker. maar zo kende niemand hem. Naar zijn vaders voornaam stond hij zijn hele leven bekend als Piet Adelaar, kortheidshalve Piet Adel. Zijn vrouw heette Jantje. Tout court, Geen groter verschil denkbaar dan tussen Jaap Kuiper, de doenige ‘conversationalist’ met wat wij heden ten dage noemen verbluffende contactuele eigenschappen en de zwijgzame Piet AdeL van ,wiens horizon men zich geen al te ruime voorstelling moest maken. Hij was wat langzaam van tred. Als los arbeider was hij nooit en te nimmer eerste keus. Wel maakte hij met zijn ringbaardje de indruk van een soort waardige bezadigdheid. En: hij had een ambt. Hij was koster van de hervormde kerk. En dat wilde hij best weten.
Nu werd er maar eens in de veertien dagen gepreekt. maar toch, wanneer de schaarse groep kerkgangers het gebouw betrad stond hun koster in de gang naast de deur van de consistoriekamer en glimlachte. Tevoren had hij de klok geluid. Het viel de gemeente wel op dat dat luiden in de loop van de jaren steeds korter was gaan duren. Er was wel eens iets van gezegd, maar veel uitwerking had het op de koster niet. Kon men hem ongelijk geven wanneer hij verscholen achter zijn ringbaardje - peinsde dat kort of lang luiden geen verschil maakte in het aantal dergenen, die zo aanstonds onder het gehoor van de predikant zouden zitten?
In 1939 vierden Pieter en Jantje hun gouden bruiloft in het Armenhuis. Er kwam een berichtje over in de ‘Enkhuizer Courant’, waarin werd gesproken van een ‘algemeen geacht paar’,
Klokken vordering
Toen braken de oorlogsjaren aan, Voor de kerkdiensten werd in den vervolge niet meer geluid. Eind november 1942 gingen de Duitsers klokken vorderen, De Rijkscommissaris gaf er een toelichting op. Kerkelijke schatten, zo verkondigde Seyss-Inquart, waren altijd bestemd geweest om in tijden van nood te worden gebruikt. Nu gold het niet eens kerkelijke schatten, maar klokken. Een van de eerste klokken die werd weggehaald was de Amsterdamse beursbengel.
Van de kerktorens in die stad viel weinig te halen: zij droegen vrijwel alle een haastig opgeschilderde letter M van monument.
Het was al maart 1943 toen de klokkenhaalders het Westfriese land afstruinden.
Stalingrad had inmiddels aangetoond dat de keer in het bloedige oorlogsbedrijf was aangebroken. De strijd in Noord-Afrika liep vrijwel ten einde. De klokkenhaalders gingen verder en toonden zich weinig kieskeurig in hun middelen. In Hauwert werd een pilaar tussen de galmgaten van het witte kerkje ruw weggehakt om de klok uit de toren te krijgen. Een houten stut verving de rode baksteen, In Schellinkhout moesten twee zolders worden weggebroken om de klok te bemachtigen, Ook in Hem moest een stuk muur worden weggebroken om de 'Anna' naar beneden te krijgen. Toen het gevaarte eenmaal op de grond stond werd hij door de nieuwsgierige schooljeugd van dichtbij bekeken, De meester liet allen het versje opschrijven dat op de klok stond:
Anna was mijn naam weleer
Toen velde mij de bliksem neer.
Midwolde deed mij weer verqieten.
Nu kon weer elk van mij genieten.
Ik roep aan al, die horen wil
De tijd staat nimmer, nimmer stil.
Het rijmpje herinnerde aan de klok die tot 1879 in de toren had gehangen en hij de brand. veroorzaakt door blikseminslag op -4 september 1879 naar beneden was gestort en gescheurd.
Het jaar 1943 was het jaar van de late Paas: 25 april weinig van de toen levenden hadden de kans een zo laat in het jaar vallende Paas nog eens mee te maken. Zij zouden immers moeten wachten tot het jaar 2038! Voor de Paasklokken was 1943 een verloren jaar: het merendeel van de torens was leeggehaald. De toren van Oosterleek kwam op 22 maart aan de beurt, Twee onverschillig kijkende Zaankanters en een kerkvoogd die over de sleutel beschikte gingen in optocht naar de kerk. Een groepje, waar de koster zich bij aansloot. Hij glimlachte weer in zijn ringbaardje, waarin inmiddels al heel wat grijze haren waren verschenen,
Een laatste protest
Een ondoorgrondelijke glimlach, zo zou blijken.
Nog éénmaal mocht hij bij wijze van afscheid de klok luiden. Piet Adel was zich het gewicht van deze zaak wel bewust. Het was hem nu ernst. Zijn oude handen, waar de huid in plooien op lag, grepen het touw.
Eerst trekken, zwaar aan het touw hangen... Dat viel niet mee. Boven klonk een korte onwezenlijke klep van het brons. Het touw werd gevierd. Dan ging het beter. Het touw schuurde dof door de openingen in de zolder, maar de klok reageerde nu duidelijk. Weer trekken en toen kwam de cadans erin: ding-dong... Het geluid dreef over de huizen en de stolpen. Ja, Piet Adel weet, oud en grijzend. hoe hij een klok moet luiden; hoe hij in één ritmische beweging klok en klepel aan de gang moet houden. De dorpelingen konden het nu horen. Ach, het geluid is een beetje schril. Niemand ook kent de geschiedenis van de klok en stellig zijn er, toen zij werd gegoten, geen eisen gesteld aan een bijzondere welluidendheid. Maar haar stem werd gehoord. Tallozen noodde zij ter kerke. Woedend heeft zij geklept, wanneer het vuur zich meester maakte van een boerderij of een woning. En hoeveel malen werd zij niet geluid, wanneer in dat met schelpen bedekte kerkhofje een donkere kuil was gedolven. Soms ook voor een onbekende, hier aan de dijk aangespoeld.
Het klokgelui duurde voort, die maandagochtend van 22 maart 1943. Buren keken elkaar verbaasd aan. Wat zou er aan de hand zijn? Zó lang had de Leker klok zich nooit eerder laten horen. Beneden stond de oude koster, in wie een vreemd vuur nu brandde: hij beierde voort in hetzelfde tempo. Schijnbaar onvermoeid bespeelde hij het ruwe klokkentouw. Moest de klok sterven? Piet Adelaar riep hem op het leven te rekken, nog één keer al zijn macht uit te roepen over het kleine dorp aan her IJsselmeer. Hier stond de koster. op deze ochtend voor niets en niemand vervaard en liet de stem van de oude klok horen. Niemand hoefde te twijfelen: de wat zwijgzame, langzame man met het grijzende ringbaardje liet zien wie hij in werkelijkheid was.
Eindelijk, ja eindelijk liet de man uit het Leker Armenhuis het touw vieren om het daarna voorzichtig af te remmen. Er vielen nog een paar verdwaalde tikken van de klepel. Toen was het stil. Het was middag ‘geworden. ‘We gaan maar eten’, kondigden de klokkehaalders aan, De koster liep zwijgend terug naar het Armenhuis, naar Jantje. Vermoeid - maar inwendig zal het hem voldoening hebben geschonken dat zijn protest was gehoord. De Lekers wisten nu dat zij een koster hadden die stond voor zijn klok. En zijn land.
Die Zaankanters. die zich hadden belast met het onfrisse karwei om de Westfriese klokken uit de torens te halen ten behoeve van de Duitse oorlogsmachine. Keerden na de middag terug. Het was een ‘makkie’. Na anderhalf uur lag de klok op twee ijzeren staven voor een van de galmgaten. Breekwerk was niet nodig. De klok kon er doorheen. Had men in Hem de ‘Anna’ nog uit de (hoge) toren getakeld. hier vonden de mannen het niet nodig. ‘Om de leien niet te beschadigen’, deelden zij een paar omstanders mee. Met een dommekracht kreeg de klok een zetje en schoof over de ijzeren staven heen. Een val van zo’n twintig meter, Ze kwam terecht in de schelprand naast het kerkepad van gele steentjes. En bleek volstrekt onbeschadigd. Twee dagen later werd de klok met een vrachtauto opgehaald.
De toren van Oosterleek heeft vier jaar moeten wachten op een nieuwe klok, Die werd op 1 april 1947 in de toren gehangen en op 5 april 9 uur in de ochtend hoorden de dorpelingen voor het eerst de uurslag van de nieuwe klok. Een nieuwe bronzen stem. Een stem van de vrede, die draagt tot over het Armenhuis